God in Nederland PDF Afdrukken E-mailadres
Geschreven door Secretaris   

 

                    God in Nederland 1966-2015: 
                      
Met zevenmijlslaarzen naar een postchristelijke samenleving met een posttheïstisch geloof. Of kun je het ook anders zien ........
3 hoopvolle lessen.


 

 

 

God in Nederland 1966-2015: Met zevenmijlslaarzen naar een postchristelijke samenleving met een posttheïstisch geloof
       

Vandaag wordt het nieuwe onderzoek God in Nederland: 1966-2015 gepresenteerd. Ik heb er al reikhalzend naar uitgekeken, en had me ook al aan een paar voorspellingen gewaagd. Maar de uitkomst is verrassender dan ik had verwacht. Ik ben me nog in het onderzoek aan het verdiepen. Er valt veel te zeggen over het onderzoek, heel veel informatie uit te halen. 

In wat volgt geef ik een aantal eigen observaties, gebaseerd op het boek God in Nederland 1966-2015 geschreven door Ton Bernts en Joantine Berghuijs dat dinsdag a.s. bij uitgeverij Ten Have verschijnt. Paginaverwijzingen zijn naar dat boek. 

Religie is niet langer een samenbindende factor, dat wisten we al. De kerken zijn volledig gemarginaliseerd, dat wisten we ook al. Wat dit onderzoek echter laat zien, is hoe extreem de ontkerkelijking en ontchristelijking in Nederland heeft toegeslagen. Zozeer zelfs dat voorspellingen over de toekomst zich nauwelijks meer laten doen. 

Theïsme (het geloof in een persoonlijke God die zich met ieder mens afzonderlijk bezighoudt) verdwijnt. Geloof – ook het christelijk geloof – in Nederland kan niet langer gedefinieerd worden als theïstisch geloof. Betekent dat dat religie verdwijnt? Nee dus! Ofschoon de nieuwe spiritualiteit enigszins is afgenomen, en het geloof in het paranormale ook dramatisch is afgenomen, blijkt dat toch nog een meerderheid van de Nederlanders zichzelf als ‘gelovig’ of ‘spiritueel’ te beschouwen. Geloof verandert, wordt diffuser, individualistischer, is een kwestie van zoeken geworden, en richt zich niet langer op God als de ‘gans Andere’, maar op de wereld om ons heen. 

Kerklid, ongebonden gelovigen, ongebonden spirituelen 

11,7% van de Nederlanders is nog katholiek, 8,6 % behoort tot de PKN, 4,2 % tot de kleine protestantse kerken (van ‘zwarte-kousen’ tot evangelicaal en baptist), en maar liefst 67,8% van de Nederlanders zegt tot geen enkele kerk te behoren. In de toekomst lijkt een verdere daling van het aantal kerkgangers aannemelijk, van 25% nu naar onder de 20% in de volgende tien jaar. 

Naast kerkleden is er echter een grote groep ‘ongebonden gelovigen’, ‘personen die zich niet (meer) als lid van een kerk beschouwen, maar zichzelf wel als gelovig en eventueel ook spiritueel betitelen. Vaak gaat het hierbij om ex-kerkleden’ (39). Ook is er een grote groep ‘ongebonden spirituelen’, die zich niet als lid van een kerk beschouwt, zich niet als gelovig ziet, maar wél spiritueel. En dan is er nog een groep van ‘seculieren’ die geen kerklid is, niet gelovig, en zich helemaal niet als spiritueel ziet. 

25% van de Nederlanders is kerklid. En 17% is ongebonden gelovig en nog eens 10% ongebonden spiritueel (samen dus goed voor 27%). Maar liefst 41% is seculier. 

Wat ik daarbij interessant vind, is dat de groep gelovigen en spirituelen buiten de kerken dus minstens even groot is als de groep kerkleden (49). ‘Geloof’ in Nederland staat dus niet meer voor kerkelijk geloof, en niet noodzakelijkerwijs voor christelijk geloof. Geloof en spiritualiteit zijn diffuse categorieën geworden. 

Godgeloof 

Dan wat betreft godgeloof. Ook in dit onderzoek wordt een onderscheid gemaakt tussen theïsten, ietsisten, agnosten en atheïsten. Duidelijk is dat er een afnemende trens is van theïsme en ietsisme. Theïsme is ten opzichte van 2006 geslonken van 24% naar maar liefst 14%, ietsisme van 36% naar 28%. Agnosme is gestegen van 26% naar 34% (nu de grootste groep), en atheïsme is maar liefst gestegen van 14% naar 24%. 

Dit betekent ‘een toename van de agnostische en atheïstische levensbeschouwing naar in totaal 58% van de Nederlanders’ (65). 

Maar dan wordt het pas echt interessant. Want wat blijkt? Van de kerkleden van de RKK is nog slechts 17% theïst, 46% is ietsist, 30% agnost en 7% atheïst. Er ontstaat een grote kloof met de leden van de PKN (51% theïst, 34% ietsist, 14% agnost, en 1% atheïst) en al helemaal met leden van de kleine protestantse kerken (maar liefst 83% theïst, 11% ietsist, 5% agnost en 1% atheïst). 

De onderzoekers concluderen: ‘Kerkleden zijn eigenlijk alleen nog als groep te typeren in de zin dat ze zich in ieder geval niet kunnen vinden in een atheïstische levensbeschouwing. Voor het overige treffen we onder hen inmiddels een bonte verzameling van theïsten, ietsisten en agnosten’ (66). 

Het is echt opmerkelijk dat er zo’n gigantische kloof gaapt tussen het godsgeloof van katholieken en protestanten. Het zijn twee totaal gescheiden werelden geworden, misschien zelfs wel werelden waar een toenemend onbegrip jegens elkaar aan het ontstaan is. 

Bijbel en orthodoxie 

Ook over andere noties zie je grote verschillen, bijvoorbeeld over de Bijbel als het woord van God (68). Nog maar 13% van de katholieken onderschrijft dat de Bijbel het woord van God is, tegen 43% PKN en 76% kleine protestantse kerken! Dit verklaart ten dele dus ook het onbegrip van veel katholieken tegen de almaar groeiende protestantse obsessie en angst voor de evolutietheorie en het groeiende enthousiasme waarmee antiwetenschappelijke denkwijzen worden begroet. Het is voor een groot deel te wijten aan het verschil in bijbelopvatting. 

Katholieken hebben niet het sola scriptura dus de obsessie voor de Bijbel is hen vreemd. Elders schrijven de onderzoekers dat protestanten ‘schrift-georiënteerd’ zijn, en katholieken doorgaans meer ‘pragmatisch georiënteerd’ (134). Dat komt ook tot uiting in de omgang met spiritualiteit, zodat katholieken zich bijvoorbeeld laten inspireren door zenmeditatie. 

Overigens is er onder katholieke jongeren wel een ‘jonge orthodoxie’ te bespeuren, maar die is volgens de onderzoekers het resultaat van ‘zelfselectie’: ‘Een zelfpositionering als kerklid vormt bij de jonge generaties een steeds hogere drempel waarover alleen nog degenen met een uitgesproken katholieke identiteit heen stappen’ (84). Fundamentalistisch denken, en geloof met een ‘hoge mate van orthodoxie’ vind je vooral terug in de protestantse kerken en al helemaal bij de kleine protestantse kerken die ‘niet of nauwelijks secularisering’ kennen (85). 

Transcendentie bij ongebonden gelovigen en ongebonden spirituelen 

Godgeloof neemt dus af. Dat is ook het geval onder ongebonden gelovigen en ongebonden spirituelen. Rapporteert 58% van de kerkleden ervaringen van een hogere macht, kracht of God, onder ongebonden gelovigen is dat 49% en onder ongebonden spirituelen zelfs maar 37%. Overigens, schrijven de onderzoekers, betekent dit niet dat deze ongebonden gelovigen en ongebonden spirituelen geen religieuze of spirituele ervaringen gehad hebben, maar dat die ervaringen zich niet voegen naar de omschrijving ‘God of hogere macht’ (114). 

Godgeloof lijkt bij beide groepen onpersoonlijker te worden, het gaat vaak over beschrijvingen als ‘energie’, ‘licht’ en ‘liefde’ of over ervaringen van gebeurtenissen die ‘te toevallig voor toeval’ waren (116). Ongebonden spirituelen spreken al helemaal weinig over God, en ook dan weer ‘vooral in mystiek gekleurde termen’ (117). 

Maar wel is er bij ongebonden spirituelen ‘sprake van positieve gevoelens, en van ervaringen van sturing of voorbestemming, liefde, hulp en steun, of holisme: het gevoel deel uit te maken van een groter geheel’ (118). 

Waar kerkleden dus vaak wat sterker hameren op ‘verticale transcendentie’, dus op een transcendente God die duidelijk gescheiden is van de mens en boven de mens staat, zo is er bij ongebonden spirituelen vooral sprake van ‘horizontale transcendentie’: ‘gerichtheid op bewust en verantwoordelijk leven in het hier en nu, en op het gevoel deel uit te maken van een groter geheel’ (119). Die horizontale transcendentie lijkt ook te combineren met een humanistische visie; veel humanisten hebben dan ook een duidelijk spirituele levenshouding (148). 

Nieuwe spiritualiteit 

Ik ga niet al te diep meer in op de ‘nieuwe spiritualiteit’ (vormen van spiritualiteit die ooit ‘New Age’ werden genoemd). In 2006 werden er behoorlijk wat ‘zwevende gelovigen’ geconstateerd, maar die zwevers blijken langzaam weer grond onder de voeten te krijgen. 

Er heeft zich in het afgelopen decennium geen spirituele revolutie in Nederland voorgedaan, constateren de onderzoekers. Die heeft zich vermoedelijk vóór 2006 voorgedaan en is nu aan het afvlakken of aan het verflauwen (155). 

De behoefte aan zingeving is wat afgenomen, van 79% in 2006 tot 70% in 2015. Het aantal mensen dat zich totaal niet interesseert voor zingeving is gestegen van 37% naar 48%. Zingeving leeft dus vooral bij mensen die sowieso in hun leven al plaats geven aan geloof of spiritualiteit (160). Maar let op: 70% van de Nederlanders die aangeven dat ze behoefte hebben aan zingeving, duidt nog altijd op een niet te onderschatten behoefte aan zingeving! 

Spiritualiteit is wel veel individualistischer geworden en vooral meer ‘zoekreligiositeit’ geworden: mensen geven twijfel een grotere rol boven zekerheid, vragen boven antwoorden. Geloofszekerheden in ons land nemen af, evenals het aantal beoefenaars van religieuze en spirituele praktijken, zowel in het traditionele christendom als in de nieuwe spiritualiteit (175). 

Trends 

De onderzoekers concluderen dat er duidelijk sprake is van ‘twee massieve trends’: allereerst die van wijkend christendom, waarbij het christelijk geloof ‘een onbekende of exotische wereld geworden’ is (181). Er is sprake van een dubbele secularisatie: ‘niet alleen daalt het aantal kerkleden, maar een deel van hen, met name de katholieken, hecht bovendien minder aan de christelijke geloofsvoorstellingen en kerkelijke participatievormen’ (182). 

Nederland is daarmee ‘postchristelijk’ geworden, een land waarin ‘het christendom geen overkoepelend verhaal meer vormt waar een meerderheid van de Nederlanders zich naar richt en zich door laat motiveren’ (182). 

De tweede massieve trend is dat geloof verandert. Het kenmerkt zich steeds minder door ‘een hechte, gedeelde en welomschreven vorm’, maar wel als ‘een geïndividualiseerde, grenzeloze en horizontaal gerichte spiritualiteit en zingeving’ (182). Geloof trekt zich niets meer aan van kerkmuren, ‘want een meerderheid van de Nederlanders noemt zich gelovig of spiritueel, terwijl slechts een kwart kerklid is’ (183). 

Besluit 

De Nederlandse samenleving is dus al lang geen ‘christelijke natie’ meer. Het is een postchristelijke en post-theïstische samenleving geworden. Het christendom is duidelijk op zijn retour. En theïsme is buiten de protestantse kerken ingeruild voor een individualistische zoekreligiositeit die zich richt op verantwoord leven het hier en nu. 

Mensen zijn niet (veel) minder gelovig geworden, maar vooral anders gelovig. En daarmee wordt ook het onderscheid tussen ‘geloof’ en ‘ongeloof’ diffuser: wat voor de een geloof heet, is voor anderen (lees: veel protestanten) ongeloof, maar er is geen algemeen geaccepteerde maatstaf meer voor wat in Nederland nog als ‘geloof’ kan heten, zoals ‘godsgeloof’ (theïsme) dat ooit was. 

De onderzoekers doen geen voorspellingen voor de toekomst meer. Dat gaat gewoon niet langer. Want: ‘een seculiere samenleving zoals in Nederland en andere West-Europese landen [is] historisch en mondiaal een nieuwe situatie zonder precedent. De richting waar dit heen gaat en de uitkomsten van dit “seculiere experiment” zoals Boutellier dit noemt, moeten dus worden afgewacht’ (185).

We blijven het volgen…    Taedes Smedes 

Verdwijnt God in Nederland? Mwah, dat valt mee

 

Gepubliceerd door Alain Verheij op 14 maart 2016

 

Eens in de zoveel tijd verschijnt er weer zo’n alarmerend rapport, dat God voor de zoveelste keer doodverklaart. Zo ook deze week, met het nieuwe ‘God in Nederland’ rapport. Ervan uitgaande dat de onderzoekspopulatie van 2100 mensen representatief is samengesteld etc, etc, kunnen we er niet omheen: kerken hebben een probleem. 

Gisteravond zond Kruispunt, dat de opdracht tot het tienjaarlijkse onderzoek gaf, de bijbehorende documentaire uit. Spoiler alert: je kunt beter gewoon zelf naar het onderzoek kijken, want zo belangwekkend is die uitzending niet. Een deel van de cijfers is te koop, het andere deel kunnen wij met z’n allen vrolijk gratis analyseren. Ik vond drie redenen waarom het wel meevalt. 

Eerder deze week, ook naar aanleiding van dit rapport: ‘Geloof en beroemde kunstenaars in Nederland
 

1. ‘God in Nederland’ is wel erg strak met de definities 

We kijken eerst even naar een belangrijke kernvraag: het godsgeloof van de ondervraagden. ‘God in Nederland’ koos voor vier categorieën, die als volgt verdeeld zijn. 

god in nederland

 

Dit is de toelichting die we erbij krijgen: 

‘theïsten’ geloven in een God die zich met ieder mens persoonlijk bezighoudt; 

‘ietsisten’ geloven dat er iets is als een hogere macht die het leven beheerst; 

‘agnosten’ weten niet of er een God of hogere macht bestaat 

‘atheïsten’ geloven niet in een God of hogere macht. 

Nu noem ik mijzelf een (nota bene prekend en schrijvend) christen, maar vraag mij op de man af of ik geloof in een God die zich met ieder mens persoonlijk bezighoudt en ik begin achter mijn oren te krabben. Zelfs bij ‘ietsisme’ is er die vreemde en niet-ingevulde term ‘beheerst’, een beetje God als godfather die de marionettentouwtjes machtsbelust in z’n handen houdt… Ik weet het niet, ik weet het niet… 

Zelfs ik zou voor ‘agnost’ kiezen in dit schema. Het is dan ook niet verwonderlijk dat dit de grootste groep is onder de ondervraagden. Wie verder in de tijd terugkijkt, ziet dat de groep ‘agnost’ plus ‘ietsist’ altijd al een meerderheid was. De zwevende middengroep werd niet kleiner – wat kleiner werd, was de groep gelovige zekerweters.

 

2. Er valt spiritueel nog heel wat te winnen

 

Ietsisten plus agnosten vormen 62%. Een meerderheid sluit God dus niet uit, maar kan haar niet helemaal met zekerheid invullen. Slecht nieuws? Nee. Uitdaging voor God? Ja. Bekijk ook tabel 6.1:

 

god in nederland spiritualiteit

 

In een land waar God dood is, krijg je niet zulke hoge percentages. Religie wordt simpelweg niet meer zo ingekaderd in vaste structuren, praktijken en systemen. Maar het zoeken naar de verbindende (hogere of diepere) kern van het leven is nog springlevend. Duik erop, theologen.

 

3. Er blijft een kleine, harde kern over

 

Het is al te zien in de bescheiden groei van de ‘kleine protestantse kerken’: de volkskerken lopen leeg, maar een harde kern bijt zich vast in wat orthodoxere clubs. Die blijven bestaan, als hardnekkige minderheid. Ik schreef het al –> de secularisatie stopt tot het kerklidmaatschap totaal nog een kleine twintig procent is. Daarna blijft het stabiel laag. Maar dat ligt niet alleen aan de kerken. Het is een maatschappelijke beweging. De betrokkenheid bij zaken als yoga en de democratie, zijdelings getest in het rapport, is ook behoorlijk laag. 

‘Wie de ontkerkelijking onderzoekt, onderzoekt één vallende steen van een instortend gebouw’, zei VU-hoogleraar missiologie Stefan Paas tegen me. Want zo werkt het tegenwoordig: we binden ons niet meer aan verenigingen – onze algehele betrokkenheid bij de maatschappij wordt steeds ongrijpbaarder. Dit maakt onze gelovigheid steeds moeilijker meetbaar: we drukken die niet meer uit in de vorm van lidmaatschap of commitment aan één club, maar verinnerlijken en individualiseren het. 

Weet de kerk daar raad mee? Nee.
Weet God daar raad mee? Ja.
Nu maar bidden om creatieve theologen die de brug tussen God en kerk hier kunnen slaan.
 

Een wat deprimerend rapport, zei cultuurtheoloog en redactielid van Katholiek.nl Frank Bosman gisteren op de radio. En dat is het raport God in Nederland, met de conclusie dat Nederland geen christelijk land (meer) is. Wat nu: in zak en as, de handen in het haar, of de handen uit de mouwen? 

In het deze week verschenen – gezaghebbende – rapport zijn de cijfers marmerhard. Vooral schokkend vond ik de notie dat kerken nog veel minder worden vertrouwd dan media en politici. Die laatste groepen bungelen op de betrouwbaarheidsmeter traditioneel laag, maar kerken doen het nu dus nog veel slechter. Ik vraag me af waar de oorzaken liggen, en wil er een paar noemen.

 

De oorzaken zijn te splitsen naar interne en externe oorzaken.

 

Als eerste interne oorzaak zou ik willen noemen dat kerken zich niet meer weten te ‘verkopen’. Daarmee bedoel ik niet de vermaledijde marketing. Hoewel ik vind dat de kerk best wat meer marketingprincipes mag toepassen, vind ik dat kerken blijkbaar niet in staat zijn om aansluiting te vinden bij een groep zinzoekers, van huis-uit gelovigen en mensen die helemaal niets weten van religie. De boodschap is helder, roept Radio Maria, maar hoe onversneden zij het ook brengen: de mensen rennen ervoor weg. Maar mensen rennen niet weg voor kruiswegstaties in Volendam, het passieverhaal op televisie of voor pontificale daklozeninterviews. Wie creatief is, maakt kansen.

 

Dit verkondigingsprobleem sluit aan bij een tweede interne oorzaak. Kerken hebben slecht aan geloofsoverdracht gedaan. Oudere generaties zijn, in hun twijfel, gemakzucht of onkunde, niet in staat geweest om het geloofsstokje goed door te geven. Het is zoals de nieuwe Jezus in The Passion het zegt: ik heb het nooit meegekregen, maar door The Passion lees ik nu voor uit de kinderbijbel. Want dat kan hij volgen, zegt hij. Maar verder: katholieken zijn vaak verstomd over de taal van het geloof, woordenloos ‘geloven ze het wel’.

 

Dit veronderstelt een nieuw elan om aan catechese te werken. Vertel het verhaal, leg uit wat het betekent en neem mensen mee in wat geloof met jou doet en voor je betekent. Een taak die ons allemaal raakt: de bisschop als leraar, catecheten, ouders. Om te voorkomen dat nog meer mensen de bijbel wegzetten als ‘een sprookjesboek’.

 

Een derde interne oorzaak is het gitzwarte hoofdstuk van het seksueel misbruik. Geen enkele kerk ontkomt daaraan, hoezeer de katholieke kerk de hardste klappen te verwerken kreeg en deze nog steeds niet te boven is. Seksualiteit vraagt veiligheid en vertrouwen en het is dan ook niet verwonderlijk dat het vertrouwen is geschonden en op een enorm laag peil staat. Celibaatsvragen, handjes niet thuis kunnen houden en een hoge seksuele moraal prediken in een hoogopgeleide, seksueel vrijgevochten samenleving botsen.

 

Een vierde interne oorzaak is het soms schrijnende gebrek aan professionaliteit. Pastoors en bestuurders, hoe goed ze het ook bedoelen, buitelen openlijk over elkaar heen en niet zijn toegerust voor de zware, complexe taken waarvoor ze staan. Naar mate meer mensen de kerken verlaten, neemt de innovatiekracht ook af. De beste krachten verlaten vaak als eerste een organisatie. En wat je er ook van mag vinden, maar een Brabantse pastoor die een journaliste te lijf gaat: dat gaat het niet worden.

 

Maar er zijn ook externe oorzaken die het vertrek van God uit Nederland faciliteren. De eerste is een demografische factor. Mensen worden ouder, er zijn minder jongeren en de vergrijzing treft de kerk het hardst. Dat is al jaren bekend en zichtbaar, en zal niet afnemen. Sterker nog, als het op deze voet verder gaat is de bodem nog lang niet in zicht.

 

Een ander, niet te onderschatten, externe factor is het religieus terrorisme. Beatrice de Graaf duidde dat gisteren in de televisie-universiteit van DWDD. Het religieus terrorisme is de vierde terreurgolf in de geschiedenis sinds 1850. Omdat ze religieus geïnspireerd is (prominent islam, maar ook boeddhistisch christelijk of taoïstisch geweld bijvoorbeeld), geeft dat angst aan mensen. En dat sijpelt door. Mensen die in een god geloven, zijn uit op geweld. Dat is de boodschap die in deze fase de teloorgang van kerken en van het vertrouwen in kerken versterkt.
Deze mondiale factor is niet zo maar te keren, hoezeer de Graaf aangaf dat het goede nieuws is dat ook religieuze terroristen uiteindelijk aan het kortste eind trekken.

 

Tegen religieus terrorisme an sich kunnen kerken weinig doen. Ik zou het niet fijn vinden als de christelijke leiders opriepen de wapens te nemen. Wel kunnen kerken het gesprek entameren, solidariteit betrachten, vluchtelingen helpen en ‘de andere kant’ van het geloof laten zien. En daarmee tonen dat kerken niet tot ‘de as van het kwaad’ behoren.

 

De situatie is zorgwekkend, maar omdenken kan ook. God is vertrokken uit Nederland. Da’s mooi. Dan kunnen we nu de handen samen uit de mouwen steken en zorgen voor de terugkeer. Werk aan de winkel. 

 

 

3 hoopvolle lessen uit 'God in Nederland'

 

"Nederland staat weer onbevangen tegenover geloof"

 

Het rapport ‘God in Nederland’ verhit de gemoederen: wéér neemt het christendom af in omvang en betekenis binnen onze samenleving. Ook Anton de Wit las het rapport. Het was niet leuk, maar toch wist hij er drie harde, maar hoopvolle lessen uit te peuren.

 

“Nederland is God kwijtgeraakt”, klinkt het – alsof Onze Lieve Heer een autosleutel is, of de bijpassende sok die altijd verslonden lijkt te worden door de wasmachine.

 

De verontwaardiging over deze “tienjaarlijkse koude douche” (zoals theoloog Stefan Paas het rapport noemde in het Nederlands Dagblad) heeft zelf iets religieus gekregen, iets ritueels. Ik doe er liever niet aan mee. Ik pleng geen bloedoffers op het altaar van de afgod Statisticon. Kan me ook niet echt druk maken over al het sociologisch getuur in koffiedik.

 

Toch: hoewel het lang niet het hele verhaal vertelt, valt het niet te ontkennen dat ‘God in Nederland’ interessante constateringen doet. Ik denk dat er inderdaad ontnuchterende lessen uit te trekken zijn voor christenen. Toch zijn die niet per se negatief, eerder integendeel. Voor wat het waard is, drie hoopvolle conclusies die ik na een eerste lezing van de onderzoeksresultaten trok:
 
1. Nederland wordt onbevangener ten aanzien van geloof 

 

Het kerkgebouw is ‘terra incognita’ geworden voor veel Nederlanders, zo schrijft het rapport. Ja, heel het christendom is ‘exotisch’ geworden. Sommige mensen vinden dat moeilijk te verteren – dat we geen ‘christelijke natie’ meer zijn, of zo slordig omspringen met ons ‘christelijk erfgoed’. (Maar wie al over de erfenis spreekt, gaat er van uit dat het christendom al overleden is. Dat lijkt mij wat al te voorbarig.) 

 

Ik vind dit juist een uitermate heuglijke constatering. Wat exotisch is, maakt nieuwsgierig. Onbekend terrein zal nieuwe ontdekkingsreizigers trekken. Die onbevangenheid is mij de laatste jaren ook vaak opgevallen, vooral onder jongere mensen. Ze kennen het geloof domweg niet, maar staan daardoor zeer open om er over te horen. Ze worden niet gehinderd door oud zeer, gekleurde herinneringen, vertekende beelden, zoals velen die tot de oudere generaties behoren. Daar is de houding vaak blasé – been there, done that. Met mensen voor wie het christendom volslagen onbekend is, valt vaak beter te praten dan met mensen die menen het te kennen. 

2. Evangelisatie begint binnen de kerk, niet erbuiten 

 

Medio jaren ’60, in de tijd dat allereerste ‘God in Nederland’-onderzoek plaatsvond, maakte cabaretier Wim Sonneveld furore met zijn typetje Frater Venantius, een ouderwetse katholieke geestelijke met een zachte g. Die liet Sonneveld reeds verzuchten: “De heidenen bekeren is een christelijk werk, de christenen bekeren is een heidens werk.”

 

Voor mij als katholiek is het schokkendste gegeven van het huidige ‘God in Nederland’-rapport zonder twijfel het zwakke geloof in rooms-katholieke kringen in de meest fundamentele principes van het christelijke geloof. Met het gezag van de Bijbel en het geloof in het hiernamaals is het dramatisch gesteld. En meer nog: nog maar 45% van de katholieken ziet Jezus Christus als de zoon van God (tegenover 77% van de PKN-leden en 94% van de leden van kleinere protestantse kerkgemeenschappen). Slechts 17% van de katholieken noemt zich theïst, de rest is agnost, ‘ietsist’ en soms zelfs atheïst. (Ik maak me nog het meeste zorgen over de geestelijke gezondheid van die 28% van de katholieken die klaarblijkelijk niet in God geloven, maar desalniettemin menen dat Jezus Zijn zoon is.)

 

Nu kan ik deze cijfers wel enigszins relativeren. Het is goed om in het achterhoofd te houden, dat katholieken van oudsher veel minder dan protestanten een cultuur kennen van nadenken en praten over je geloof. De vragen over de precieze aard van hun geloof, zullen veel katholieke respondenten dus als lastig, ongemakkelijk, al te persoonlijk hebben ervaren. De katholiek wantrouwt daarbij al te grote en stellige woorden over wat hem heilig is. Wat de ondervragers hebben geïnterpreteerd als ‘ietsisme’ of ‘agnosticisme’ kan dus evengoed een vorm van sprakeloosheid en/of bescheidenheid ten aanzien van het goddelijk mysterie zijn geweest.

 

Maar goed, hoe je het ook wendt of keert, er is hier een wereld te winnen. Juist ook voor verkondigers van het geloof. Het goede nieuws voor de priesters en predikanten is dat ze die zondagspreek niet voor niets schrijven. De zegswijze ‘preken voor eigen parochie/gemeente’ heeft immers aan betekenis ingeboet. Juist binnen de eigen parochie en gemeente is er een grote nood aan degelijke catechese en bevlogen verkondiging. Dat zal inderdaad een ‘heidens karwei’ zijn, maar dat heeft de echte missionarissen nooit afgeschrikt.
 
3. Aan iedere bloeitijd gaat een crisis vooraf 

 

Dit is geen les die direct uit het rapport te trekken is, eerder een geruststellende historische les. Iedereen die iets weet van kerkgeschiedenis, weet ook dat het voor het christendom nooit van een leien dakje is gegaan. Er is in onze tweeduizendjarige geschiedenis geen enkel moment geweest dat de christenen elkaar aanstootten en tevreden zeiden: “Nou jongens, we zitten er warmpjes bij, geen vuiltje aan de lucht!” Zo er al zulke momenten zijn geweest, dan waren dat bovendien niet de meest vitale tijden, eerder integendeel. Niets is zo’n zeker teken van een op handen zijnd verval, als een gevoel van zelfgenoegzaamheid en tevredenheid.

 

Het christendom heeft al vele diepe crises het hoofd geboden, kwam er steeds weer sterker en vitaler uit. Van paus Innocentius III is bekend dat hij reeds in de vroege 13e eeuw angstdromen had over het ineenstorten van de kerk. Maar hij zag toen hoe Franciscus van Assisi en zijn beweging de kerk hernieuwde levenskracht gaf. Uiteindelijk is die eeuw een van de meest levendige, creatieve perioden geweest in heel de geschiedenis van het westerse christendom. Zo zijn er nog tal van voorbeelden te noemen van crises die direct vooraf gingen aan een nieuwe bloeitijd.

 

Het lijkt me een tikkeltje naïef, of arrogant, of allebei, om zomaar aan te nemen dat het dit keer anders zal zijn.

 

De toekomst ligt open, zeg ik de kersverse bisschop van Den Bosch mgr. Gerard de Korte na, die in het ‘God in Nederland’-boek wordt geïnterviewd. “Gods Geest waait waarheen Hij wil”, zegt hij in dat interview terecht. “Er kan altijd een omslag komen.” 

 

Ook (klik op):  ​http://alainverheij.nl/2016/03/14/god-in-nederland-secularisatie/ .

 

Ook (klik op):  http://www.katholiek.nl/opinie/zes-redenen-waarom-god-nederland-vertrekt/ .

 

Ook (klik op):  https://www.eo.nl/geloven/nieuws/item/3-hoopvolle-lessen-uit-god-in-nederland/?utm_content=bufferd7403&utm_medium=social&utm_source=twitter.com&utm_campaign=buffer 

 

​Een van de leidende figuren in de comparatieve theologie (klik op):

 

http://www.thingsnotseenradio.com/2015-season/2016/3/13/1520-tastes-of-the-divine-michelle-voss-roberts.html#.VukwhuLhCUk

 

Een andere comparatieve theoloog (klik op):

 

http://americamagazine.org/content/all-things/study-quran-and-battle-against-ignorance

 

​Een interessant boek in de comparatieve theologie (klik op):​

 

http://www.comparativetheology.org/?page_id=463 

 

Dominicaan ​Theo Koster neemt als pasto(o)r afscheid ​van de studentenkerk van de Radboud Universiteit in Nijmegen.

 

Interview met hem, ter info: http://www.voxweb.nl/ook-de-homoseksueel-is-een-cadeau-van-god/ .


 
 
 
 

 

 

 

 

 

 

Laatst aangepast op woensdag 16 augustus 2017 12:11